Posts tonen met het label kritiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kritiek. Alle posts tonen

maandag 25 januari 2021

Intermezzo. Sluit die academie, nu!

 

You don’t know what you’ve got ‘till it’s gone” (Joni Mitchell, “Big Yellow Taxi”)

 

Onderwijs zit in deze tijden van besmettingsgevaar in een moeilijk parket. De scholen zijn (nog) niet gesloten maar veel lessen zijn wel geschorst. Opvang moet worden georganiseerd en tegelijk moeten er oplossingen worden gezocht om onderwijs vanop afstand mogelijk te maken. In eerste instantie om leerstof te onderhouden (herhalingen), maar als de crisissituatie langer aanhoudt ook om nieuwe leerstof aan te brengen.

De academies deeltijds kunstonderwijs bevinden zich hierbij in een uiterst precaire situatie. 

Als er wordt geopperd dat intergenerationele overdracht van besmetting één van de grootste problemen is op dit moment, dan zijn plaatsen waar drie of soms zelfs vier generaties op een beperkte oppervlakte op hetzelfde moment samenkomen mogelijke en zelfs zeer waarschijnlijke broeihaarden van infectie. Maar er is nog meer aan de hand.

Wanneer we de restricties en verboden overlopen die in deze situatie uitgevaardigd zijn, zien we dat deze ons stuk voor stuk in het hart van onze werking raken. In zoverre zelfs dat de manier waarop dko beeldende kunsten worden georganiseerd tot de meest “onmogelijke” vormen van onderwijs in tijden van contaminatiegevaar lijken te behoren. Ik geef een overzicht.

 

In de eerste plaats dus die intergenerationaliteit. Kinderen vanaf zes jaar, tieners, twintigers, dertigers en ga zo maar door tot tachtigers verenigen zich op gezette tijden in ateliers, soms niet eens van mekaar gescheiden, en op samenvallende momenten. Dat is geen handicap, dat is een essentie! Het feit dat mensen van allerlei slag en leeftijd zich in een zelfde omgeving kunnen weiden aan een zelfde interesse, om niet te zeggen: passie, is een elementair gegeven in een academie. Dat is trouwens door de regelgeving mogelijk gemaakt en dus onderkend.

Op een moment dat er duidelijke signalen zijn dat overdracht tussen de generaties een groot probleem is, kan een dergelijke “samenscholing” onmogelijk in stand gehouden worden.

Maar dan nog. Gesteld dat er zou worden gesuggereerd dat in dit geval ook van op afstand moet begeleid worden, dan dient zich een nieuw obstakel aan.

 

Onderwijs in de beeldende kunst is geen kwestie van klassikale noch van logische of systematische opbouw. Er is hier geen sprake van een “gradus ad parnassum” waarbij de beheersing van het ene niveau toegang geeft tot een ander, hoger niveau. Al zeker niet volgens een tempo dat door zoveel mogelijk studenten in gelijke tred wordt gevolgd! Veeleer spreken wij van een circulaire leerlijn (in feite dus een “leercirkel”) waarbij een zelfde set van vaardigheden en inzichten in de loop van de leerperiode steeds verder verfijnd wordt. Van enige leerachterstand kan hier nauwelijks sprake zijn. Elke leerling volgt immers een eigen tempo (kan ook stilstand zijn) en een eigen mate van verfijning, steeds afhankelijk van de persoonlijke context en de persoonlijke verlangens en behoeftes. Deze strikt individuele parameters worden in belangrijke mate beïnvloed en gestuurd door de interactie met de leraar maar ook, en dat is in deze context belangrijk, met de medestudent, met de groep dus. Dko bk is, zoals alle onderwijs, in essentie een groepsinteractie!

 

Veel te weinig wordt er rekening gehouden met het feit dat beeldende kunst een kwestie van materie is: verf, inkt, doek, papier, hout, koper, lino, klei, steen, … Het creëren van een beeld gaat steeds gepaard met de manipulatie van materie en materiaal. Wie verstoken is van dit materiaal, of veroordeeld is tot een ersatz, kan nooit de vaardigheden ontwikkelen of verfijnen die tot een bevredigend resultaat kunnen leiden. Academieateliers bieden de noodzakelijke omstandigheden om materie en materiaal te kunnen hanteren, niet alleen zoals het hoort maar soms ook zoals het niét hoort (experiment). Tegelijk biedt het atelier (alweer door de aanwezigheid van anderen) soms inspiratie om andere materialen te gaan gebruiken of een zelfde idee in een andere techniek uit te werken.

 

Dko beeld is een vorm van onderwijs, geen veredelde hobbyclub. Zo heeft de overheid beslist en zij heeft daar ook geld voor over. Het kan dus niet zijn dat, noch voor de jongeren, noch voor de ouderen, de begeleiding in tijden van afstand teruggebracht wordt tot het online verspreiden van taken die in wezen het niveau van bezigheidstherapie niet overschrijden. Meer nog: rekening houdend met al het voorgaande kan een dergelijke werkwijze dat niveau nooit ofte nimmer overstijgen. Ze is immers in tegenspraak met de grondslagen van wat onze vorm van onderwijs is, namelijk: constante professionele feedback, uitgebreide infrastructurele ondersteuning en “langdurigheid”. Mocht het blijken dat het geven van opdrachten en feedback langs virtuele weg efficiënt is, dan tekent het dko bk hiermee zijn eigen doodsvonnis. Maar ik ben ervan overtuigd dat die manier van werken onmogelijk is.

 

Zo is dus de situatie: de maatregelen die werden genomen om de verspreiding van het coronavirus in te dijken, pakken de academies, in hun huidige gedaante, elke mogelijkheid tot verder functioneren af:

Scheiding van generaties

Social distancing

Face to face en peer to peer feedback

Ongelimiteerde manipulatie van materialen

Diepgaande en langdurige ontwikkeling van persoonlijke projecten

 

Dit maakt dat het onder deze omstandigheden niet langer mogelijk is het artistiek-pedagogisch project van een academie te realiseren.

 

Onontkoombare conclusie: òf we sluiten de zaak voor langere tijd (met duidelijke compensaties voor de leerlingen!), òf we zoeken naar een nieuwe manier van werken.

 

Omdat langdurig sluiten sociaal en economisch niet haalbaar is, dringt een nieuwe manier van werken zich automatisch op.

En deze nieuwe werkwijze zou wel eens een drastische ommekeer van het huidige systeem kunnen inhouden. Langs deze, spijtige, omweg komen we terug bij ons onderwerp uit.

 

dinsdag 19 januari 2021

Woord vooraf


 

“Tegen de academie”. Een titel zoals deze vraagt om een verklaring. Zeker als hij uit de pen komt van iemand die dertig jaar lang directeur van een academie is geweest.

Die verklaring zal ik u later geven. Maar eerst dit.

Op het breukvlak van de 19de en de 20ste eeuw schreef Marcel Proust zijn “Contre Sainte-Beuve”. Oorspronkelijk een artikel voor de krant Le Figaro, maar allengs uitgegroeid tot een verzameling essays en fragmenten waarin de eerste contouren van zijn meesterwerk “A la recherche du temps perdu” zichtbaar worden (en pas postuum, in 1954, in z’n geheel gepubliceerd).

Met deze “Contre” wilde Proust in eerste instantie de visie tegenspreken van de gezaghebbende 19de eeuwse criticus Charles-Augustin Sainte-Beuve, volgens wie het oeuvre van een schrijver in de eerste plaats een reflectie was van zijn leven en dus ook zo diende te begrepen worden. Zijn kritiek op Sainte-Beuve brengt echter ook een gedachtestroom op gang waarbij Proust allerlei ideeën over het romangenre ontwikkelt en in feite een alternatief op de theorie van Sainte-Beuve presenteert.

Niet dat ik hier ook maar een seconde overweeg om in de illustere voetsporen van Proust te treden, maar ik voelde me in deze nieuwe disruptieve tijden wel aangesproken om iets neer te pennen dat een duidelijk tegen-zijn formuleert, maar tegelijk ook mag uitweiden over andere inzichten en daarbij de nodige alternatieven voorstellen kan. Het belooft dus minder een coherent discours dan wel een meanderende gedachtegang te worden. Met hopelijk hier en daar een bruikbaar idee.

Bijlage 9: Over de relevantie van het werk van Fernand Deligny

  De relevantie van en het inspirerende in het werk van Fernand Deligny   Alleen al op basis van een aantal kernbegrip...