Posts tonen met het label onderwijsvernieuwing. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijsvernieuwing. Alle posts tonen

donderdag 28 januari 2021

Een nieuwe naam

(Opgelet, deze post maakt deel uit van een lopende tekst. De voorgaande delen vind je hieronder of in het archief.) 

De tijd is gekomen om een poging te wagen een alternatief te vinden voor de benaming “academie”.

In 2013 muntte de Vlaamse filosofe Ann Meskens in het zeer lezenswaardige verslag van haar jaar als “writer-in-residence” in de Amsterdamse Rietveldacademie[1] de term “werkplaats voor mogelijke kunst”. Als omschrijving voor wat een academie is. Ik hou van die term. Maar ik zou er nog een kleine wijziging in willen aanbrengen, in de context van wat ik in de vorige post als doelstelling van “kunstonderwijs” omschreef (te weten: het leren jezelf te positioneren in een kunstzinnige context, als persoon en uiteindelijk als kunstenaar). Ik zou willen spreken van “werkplaats voor mogelijke kunstenaars”.

Nauwkeuriger kan de omschrijving niet zijn. Nauwkeurig, omdat er precies wordt weergegeven wat de realiteit van zo’n instituut is: het is een “werkplaats”, en die werkplaats is erop gericht om mogelijke kunstenaars kansen te geven zich in vaardigheden en denken te ontwikkelen dankzij een diepgaand en actief bezig zijn met kunst.

Een “werkplaats voor mogelijke kunst” legt de nadruk op het mogelijke ontstaan van kunstwerken. Dat is mij te resultaatgericht. Ook suggereert dit het overwegende belang van het “maken”, de handenarbeid.

Een werkplaats voor mogelijke kunstenaars, dat is een “eu-topos”, geen utopie, maar “een plaats waar het goed is te verblijven”. Om er te werken, inderdaad, maar dan vooral aan de mogelijkheden die je hebt als mens en die je aangeboden krijgt van anderen (leraars). Aan iets wat je mogelijks tot kunstenaar maakt terwijl dat hoegenaamd geen vereiste is. Mooi vind ik dat!

Ik stel dan ook voor om onze academies tot “werkplaatsen voor mogelijke kunstenaars” om te dopen. In het Engels zouden dat “studio’s for possible artists” worden, afgekort “STU.P.A.”. En kijk, dat woord bestaat al: Een stoepa of stupa is een bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat”, aldus Wikipedia, dat daar nog aan toevoegt: eenmaal ingewijd mag zo’n stupa nooit vernietigd worden (!).De connotatie met een gewijde plek vind ik wel aantrekkelijk. Kunst heeft ook met iets etherisch te maken, een soort spiritualiteit die on(be)grijpbaar is, maar wel aanwezig.

Niet dat men er ooit zal toe overgaan om de benaming “academie” door “stupa” te vervangen, maar ik wou maar aangeven dat er mogelijkheden zijn. En sowieso vind ik “werkplaats voor mogelijke kunstenaars” op z’n minst een mogelijke baseline.

 



[1] “The making of” (Lemniscaat, Rotterdam, 2014)


dinsdag 26 januari 2021

Weg met het gebouw

(Opgelet! Deze post maakt deel uit van een lopende tekst. De voorgaande delen vind je hieronder of in het archief.) 

“Een school is een gebouw met een school erin” Paul Elliman[1]

 

De typologie van de “klas” verlaten voor die van de “marktplaats”, brengt een reflectie over het schoolgebouw met zich mee.

Wie de resultaten doorbladert die de zoekopdracht “schoolarchitectuur” oplevert, ziet dat er behoorlijk wat rond het bouwen van scholen wordt gepalaverd, gestudeerd en onderzocht. In de praktijk zijn goede nieuwe realisaties schaars, er is gewoonweg geen geld, zelfs niet na de invoering van het zogenaamde privaat-publieke samenwerkingsverband (pps).

Het probleem met schoolgebouwen (en is dat eigenlijk niet het probleem met àlle gebouwen?) is dat ze standvastiger zijn dan de mensen die er gebruik van maken. In oude private woningen kan nog wel een en ander aangepast worden aan de vereisten en behoeften van de tijd en de levensstijl. Met grotere complexen is dat al moeilijker. Denk maar aan de schrijnende toestanden in onze gevangenissen (waarvan vele nog dateren uit de 19de eeuw). Bij schoolgebouwen blijken veranderende inzichten in onderwijsmethode en een meer op leerlingenwelzijn gerichte aanpak de belangrijkste problemen op te leveren bij renovatie en (re)organisatie. Bovendien komen daar nu nog de bekommernissen om veiligheid en duurzaamheid bij.

De simpelste, maar daarom niet meest voor de hand liggende manier om daar komaf mee te maken is het schoolgebouw letterlijk en figuurlijk te verlaten.

Ik neem de vrijheid om in dat verband omstandig te citeren uit mijn boek “Over het leren van de kunst”, waar ik inga op de stellingname van de hierboven aangehaalde Paul Elliman.

“Waarom moet het altijd een gebouw zijn?, vraagt hij (Elliman) zich af? Hij geeft het voorbeeld van de architect Cedric Price die ooit voorstelde een mobiele school onder te brengen in een trein die onafgebroken heen en weer zou reizen tussen verschillende steden. De mobiele school (of academie)! Niet gebonden aan één plaats of onderkomen maar voortdurend in beweging. Niet eens als een reizend circus (die hebben hun eigen tent als “stek”) maar als een gebeuren, dat zich nu eens hier en dan weer daar in verschillende gedaanten manifesteert: “een tijdelijke basis, waarvandaan we de wereld waarin we leven filteren en waar we onszelf er een nieuwe plek in geven; een plek om te reflecteren op de grondbeginselen, of de plek waarin we nieuwe verzinnen”, aldus Elliman.

Hij gaat zelfs nog verder. De activiteiten die binnen dit gebeuren plaatsvinden hoeven niet zo nodig “schools” (c.q. academisch) te zijn: “de kracht van de hedendaagse kunst blijft haar vermogen een overdreven didactische instelling te ondermijnen door informatie in verschillende vormen aan te bieden, en open te laten.” Een activiteit als “leren”? Dat zou volgens Elliman evengoed een lunch, een feestje, een seminar of een stakingsoverleg kunnen zijn.”[2]

Vreemd genoeg komen we op die manier weer bij de visie terecht van de ouwe Dewey voor wie “leren” een reflectie diende te zijn van het dagelijks leven. Wat gebouw betreft dacht Dewey daarom aan de school als een woonhuis, multifunctioneel, flexibel… Het is maar een stap verwijderd van wat Elliman voorstelt.

Ook in het verlengde van onze vernieuwingspogingen in de academie van Deinze werd er nagedacht over mogelijke alternatieven wat behuizing betreft.

Indertijd (we schrijven begin jaren ’90 van de vorige eeuw) lag er een vrij groot onbebouwd perceel achter de academie. Het leek ons een opportuniteit om dat perceel te verwerven en er een architectuur te realiseren die, meer nog dan de bestaande ruimtes, de pedagogische visie die we hadden ontwikkeld zou ten dienste staan.

Na afloop van de grote internationale tentoonstelling Documenta IX (1992) in Kassel, de Documenta van Jan Hoet, werd een deel van de tijdelijke infrastructuur te koop gesteld. Dat betrof ondermeer de spraakmakende “Aue-paviljoenen”, een ontwerp van het Gentse architectenbureau Robbrecht-Daem.

Deze tentoonstellingspaviljoenen waren spraakmakend omdat ze, door hun vorm en aaneenschakeling, sterk deden denken aan een resem treinwagons, iets wat in het naoorlogse Duitsland nog steeds erg gevoelig ligt qua referentie.

Voor mij, in die tijd kersvers directeur van de Deinse academie, leken ze echter de representatie van wat ik toen beschouwde als de meest optimale flexibiliteit in functie. Van expositieruimte konden zij heel snel omgevormd worden tot werkplaats; door het feit dat ze op palen stonden bleef de circulatie ook onder de volumes mogelijk en tegelijk ook beschermd; de afwisseling tussen open en dichte wanden zorgde voor verschillende doorkijkjes en lichtkwaliteiten. Een eenvoudig principe dat in briljante architectuur was omgezet.

Omdat er toch sprake was om de academie in Deinze meer oppervlakte te bezorgen, stelde ik het toenmalige stadsbestuur voor om op het braakliggende perceel achter ons enkele van die Aue-paviljoenen neer te poten. Dat bestuur hoorde het, niet in Keulen maar tot in het verre Kassel donderen. Dit bleek een al te gedurfd voorstel en bovendien, het perceel was intussen aan een particulier verkocht… Om de anekdote compleet te maken: het huidige stadsbestuur liet het marktplein en omgeving heraanleggen naar een ontwerp van… Robbrecht en Daem (in samenwerking met Marie-José Van Hee).

Meer recent kreeg de academie een tweede kans om de idee van een academie als marktplaats gestalte te geven in een masterplan van de tijdelijke architectenassociatie Lens-Wit.

Ik had het genoegen om met architect Bart Lens grondig na te denken over hoe zo’n marktplaats-idee er concreet zou kunnen uitzien. De keuze was gemaakt om het geheel van de academie te verhuizen naar een aanpalende fabrieksruimte waarbinnen een open structuur zou worden ondergebracht. We kwamen uit op een grondplan gebaseerd op soepele, zowel organische als meetkundige vormen zoals we die ook aantreffen in de schilderijen van Georges Vantongerloo of de monumentale sculpturale installaties van Richard Serra. Er zou een continue “flow” van leerlingen, als in een natuurlijke beweging, tussen “topoi” mogelijk zijn, met een bibliotheek en een ontmoetingsruimte als centrale rustpunten.

Omstandigheden buiten onze wil hebben de realisatie van dit plan tot op heden verhinderd. Een reden te meer om de ganse idee van een gecentraliseerd onderkomen overboord te gooien.        

 



[1] in Metropolis M, nr 4, 2006

[2] In “Over het leren van de kunst” p.54


dinsdag 19 januari 2021

Woord vooraf


 

“Tegen de academie”. Een titel zoals deze vraagt om een verklaring. Zeker als hij uit de pen komt van iemand die dertig jaar lang directeur van een academie is geweest.

Die verklaring zal ik u later geven. Maar eerst dit.

Op het breukvlak van de 19de en de 20ste eeuw schreef Marcel Proust zijn “Contre Sainte-Beuve”. Oorspronkelijk een artikel voor de krant Le Figaro, maar allengs uitgegroeid tot een verzameling essays en fragmenten waarin de eerste contouren van zijn meesterwerk “A la recherche du temps perdu” zichtbaar worden (en pas postuum, in 1954, in z’n geheel gepubliceerd).

Met deze “Contre” wilde Proust in eerste instantie de visie tegenspreken van de gezaghebbende 19de eeuwse criticus Charles-Augustin Sainte-Beuve, volgens wie het oeuvre van een schrijver in de eerste plaats een reflectie was van zijn leven en dus ook zo diende te begrepen worden. Zijn kritiek op Sainte-Beuve brengt echter ook een gedachtestroom op gang waarbij Proust allerlei ideeën over het romangenre ontwikkelt en in feite een alternatief op de theorie van Sainte-Beuve presenteert.

Niet dat ik hier ook maar een seconde overweeg om in de illustere voetsporen van Proust te treden, maar ik voelde me in deze nieuwe disruptieve tijden wel aangesproken om iets neer te pennen dat een duidelijk tegen-zijn formuleert, maar tegelijk ook mag uitweiden over andere inzichten en daarbij de nodige alternatieven voorstellen kan. Het belooft dus minder een coherent discours dan wel een meanderende gedachtegang te worden. Met hopelijk hier en daar een bruikbaar idee.

Bijlage 9: Over de relevantie van het werk van Fernand Deligny

  De relevantie van en het inspirerende in het werk van Fernand Deligny   Alleen al op basis van een aantal kernbegrip...