(Opgelet! Deze post maakt deel uit van een lopende tekst. De voorgaande delen vind je hieronder of in het archief.)
“Een school is een gebouw met een school erin”
Paul Elliman
De typologie van
de “klas” verlaten voor die van de “marktplaats”, brengt een reflectie over het
schoolgebouw met zich mee.
Wie de resultaten
doorbladert die de zoekopdracht “schoolarchitectuur” oplevert, ziet dat er
behoorlijk wat rond het bouwen van scholen wordt gepalaverd, gestudeerd en
onderzocht. In de praktijk zijn goede nieuwe realisaties schaars, er is
gewoonweg geen geld, zelfs niet na de invoering van het zogenaamde
privaat-publieke samenwerkingsverband (pps).
Het probleem met
schoolgebouwen (en is dat eigenlijk niet het probleem met àlle gebouwen?) is
dat ze standvastiger zijn dan de mensen die er gebruik van maken. In oude
private woningen kan nog wel een en ander aangepast worden aan de vereisten en
behoeften van de tijd en de levensstijl. Met grotere complexen is dat al
moeilijker. Denk maar aan de schrijnende toestanden in onze gevangenissen
(waarvan vele nog dateren uit de 19de eeuw). Bij schoolgebouwen
blijken veranderende inzichten in onderwijsmethode en een meer op
leerlingenwelzijn gerichte aanpak de belangrijkste problemen op te leveren bij
renovatie en (re)organisatie. Bovendien komen daar nu nog de bekommernissen om
veiligheid en duurzaamheid bij.
De simpelste,
maar daarom niet meest voor de hand liggende manier om daar komaf mee te maken
is het schoolgebouw letterlijk en figuurlijk te verlaten.
Ik neem de
vrijheid om in dat verband omstandig te citeren uit mijn boek “Over het leren
van de kunst”, waar ik inga op de stellingname van de hierboven aangehaalde
Paul Elliman.
“Waarom moet het
altijd een gebouw zijn?, vraagt hij (Elliman) zich af? Hij geeft het voorbeeld
van de architect Cedric Price die ooit voorstelde een mobiele school onder te
brengen in een trein die onafgebroken heen en weer zou reizen tussen
verschillende steden. De mobiele school (of academie)! Niet gebonden aan één
plaats of onderkomen maar voortdurend in beweging. Niet eens als een reizend
circus (die hebben hun eigen tent als “stek”) maar als een gebeuren, dat zich
nu eens hier en dan weer daar in verschillende gedaanten manifesteert: “een
tijdelijke basis, waarvandaan we de wereld waarin we leven filteren en waar we
onszelf er een nieuwe plek in geven; een plek om te reflecteren op de
grondbeginselen, of de plek waarin we nieuwe verzinnen”, aldus Elliman.
Hij gaat zelfs
nog verder. De activiteiten die binnen dit gebeuren plaatsvinden hoeven niet zo
nodig “schools” (c.q. academisch) te zijn: “de kracht van de hedendaagse kunst
blijft haar vermogen een overdreven didactische instelling te ondermijnen door
informatie in verschillende vormen aan te bieden, en open te laten.” Een
activiteit als “leren”? Dat zou volgens Elliman evengoed een lunch, een
feestje, een seminar of een stakingsoverleg kunnen zijn.”
Vreemd genoeg
komen we op die manier weer bij de visie terecht van de ouwe Dewey voor wie
“leren” een reflectie diende te zijn van het dagelijks leven. Wat gebouw
betreft dacht Dewey daarom aan de school als een woonhuis, multifunctioneel,
flexibel… Het is maar een stap verwijderd van wat Elliman voorstelt.
Ook in het
verlengde van onze vernieuwingspogingen in de academie van Deinze werd er
nagedacht over mogelijke alternatieven wat behuizing betreft.
Indertijd (we
schrijven begin jaren ’90 van de vorige eeuw) lag er een vrij groot onbebouwd
perceel achter de academie. Het leek ons een opportuniteit om dat perceel te
verwerven en er een architectuur te realiseren die, meer nog dan de bestaande
ruimtes, de pedagogische visie die we hadden ontwikkeld zou ten dienste staan.
Na afloop van de
grote internationale tentoonstelling Documenta IX (1992) in Kassel, de
Documenta van Jan Hoet, werd een deel van de tijdelijke infrastructuur te koop
gesteld. Dat betrof ondermeer de spraakmakende “Aue-paviljoenen”, een ontwerp
van het Gentse architectenbureau Robbrecht-Daem.
Deze
tentoonstellingspaviljoenen waren spraakmakend omdat ze, door hun vorm en
aaneenschakeling, sterk deden denken aan een resem treinwagons, iets wat in het
naoorlogse Duitsland nog steeds erg gevoelig ligt qua referentie.
Voor mij, in die
tijd kersvers directeur van de Deinse academie, leken ze echter de
representatie van wat ik toen beschouwde als de meest optimale flexibiliteit in
functie. Van expositieruimte konden zij heel snel omgevormd worden tot
werkplaats; door het feit dat ze op palen stonden bleef de circulatie ook onder
de volumes mogelijk en tegelijk ook beschermd; de afwisseling tussen open en
dichte wanden zorgde voor verschillende doorkijkjes en lichtkwaliteiten. Een
eenvoudig principe dat in briljante architectuur was omgezet.
Omdat er toch
sprake was om de academie in Deinze meer oppervlakte te bezorgen, stelde ik het
toenmalige stadsbestuur voor om op het braakliggende perceel achter ons enkele
van die Aue-paviljoenen neer te poten. Dat bestuur hoorde het, niet in Keulen
maar tot in het verre Kassel donderen. Dit bleek een al te gedurfd voorstel en
bovendien, het perceel was intussen aan een particulier verkocht… Om de
anekdote compleet te maken: het huidige stadsbestuur liet het marktplein en
omgeving heraanleggen naar een ontwerp van… Robbrecht en Daem (in samenwerking
met Marie-José Van Hee).
Meer recent kreeg
de academie een tweede kans om de idee van een academie als marktplaats
gestalte te geven in een masterplan van de tijdelijke architectenassociatie
Lens-Wit.
Ik had het
genoegen om met architect Bart Lens grondig na te denken over hoe zo’n
marktplaats-idee er concreet zou kunnen uitzien. De keuze was gemaakt om het
geheel van de academie te verhuizen naar een aanpalende fabrieksruimte
waarbinnen een open structuur zou worden ondergebracht. We kwamen uit op een
grondplan gebaseerd op soepele, zowel organische als meetkundige vormen zoals
we die ook aantreffen in de schilderijen van Georges Vantongerloo of de
monumentale sculpturale installaties van Richard Serra. Er zou een continue “flow”
van leerlingen, als in een natuurlijke beweging, tussen “topoi” mogelijk zijn,
met een bibliotheek en een ontmoetingsruimte als centrale rustpunten.
Omstandigheden
buiten onze wil hebben de realisatie van dit plan tot op heden verhinderd. Een
reden te meer om de ganse idee van een gecentraliseerd onderkomen overboord te
gooien.